Innovatie en creativiteit succesfactoren van de mode-industrie
Vlaamse mode scheert internationaal hoge toppen en buitenlandse fashionata’s komen naar Vlaanderen om nieuwe trends en collecties te volgen. Daartegenover staat de economische realiteit van afslanking en delokalisatie van vele ondernemingen in de kledingindustrie in Vlaanderen. Een team van onderzoekers van Vlerick Leuven Gent Management School bestudeerde in opdracht van Flanders District of Creativity, Flanders Fashion Institute, Creamoda en Fedustria voor het eerst hoe de lokale mode-industrie weet te overleven. Het onderzoeksrapport werd op 21 januari 2008 aan de pers en aan het grote publiek voorgesteld door het onderzoeksteam: Isabelle De Voldere, Tine Maenhout en Marion Debruyne. De onderzoeksresultaten werden achteraf in een debat becommentarieerd door enkele stakeholders uit de mode-industrie.
Nieuwe trends in de mode-industrie
Vlaanderen is traditioneel gekend voor haar textiel- en mode-industrie. Maar de laatste decennia is deze sector geëvolueerd tot een echt globale industrie. Door de globalisering heeft ook de Vlaamse modesector zich noodgedwongen aangepast. Ze is meer de richting ingeslagen van creativiteit, innovatie en specialisatie. Een opvallende trend bij de stoffenfabrikanten bijvoorbeeld is de toenemende focus op de productie van technische stoffen, waardoor nieuwe afzetmarkten aangeboord worden en rechtstreekse prijzenconcurrentie met lagelonenlanden ontweken wordt.
Creativiteit als sleutel tot succes
Om in deze globale herstructurering te overleven, onderscheidt de Vlaamse mode-industrie zich steeds meer door haar creativiteit. Creativiteit wordt vaak met ontwerpers geassocieerd. Dit is terecht enerzijds, maar onvoldoende genuanceerd anderzijds. Modeontwerpers zijn uiteraard heel creatieve geesten, maar de totale mode-industrie is veel ruimer dan ontwerpen alleen. In de hele modeketen in Vlaanderen – van ontwerper tot kleinhandel – wordt de kaart van specialisatie, innovatie en creativiteit getrokken. Innovaties kunnen vanuit diverse hoek komen, bijvoorbeeld in de ontwikkeling van speciaal of technisch textiel of een totaal nieuw winkelconcept.
Technisch textiel omvat producten als werkkledij, beschermkledij. Omdat steeds hogere eisen worden gesteld aan dergelijke kledij, hebben heel wat stoffenfabrikanten in nieuwe technologieën geïnvesteerd en zich gespecialiseerd. Een van de resultaten is de productie van antibacteriële stoffen.
De beleveniseconomie
Creativiteit uit zich ook steeds meer in de retailwinkel. De kleinhandel is in de mode-industrie geëvolueerd van een ondersteunend kanaal naar een volwaardige kerncreatieve schakel die steeds meer een belangrijke bijdrage levert tot de symbolische meerwaarde van modeartikelen. Zo liggen retailwinkels aan de bron van multimerkenwinkels, éénmerkenwinkels en flagship stores. Multimerkenwinkels bieden de collectiestukken van verschillende merken of ontwerpers. Bij de éénmerkenwinkel worden de collecties van één merk of ontwerper verkocht. We denken bijvoorbeelden aan JBC of Mayerline. De flagship store is ook een éénmerkenwinkel, maar die het hele gamma aanbiedt van dat bepaalde merk en ingericht is in de geest van de collectie. De creatieve input van de flagship store versterkt de creatieve input van de ontwerper en dus de symbolische meerwaarde.
Het aanbieden van een heel gericht aantal merken, of één enkel merk draagt bij tot de “beleving” van modeartikelen kopen, iets wat steeds belangrijker wordt. De winkels bieden een symbolische meerwaarde aan in de vorm van een ‘gevoel’ dat gepaard gaat met een bepaald merk.
Vakmanschap loont
Door de globalisering van de sector zijn ondertussen de meeste bandwerkjobs verdwenen uit Vlaanderen en verhuisd naar Centraal- en Oost-Europa, het Middellands Zeegebied of het Verre Oosten. Het echte vakmanschap blijft echter zeer gegeerd in onze regio. De bedrijven die hier nog opereren, leveren hoogwaardig, kwalitatief werk en zijn volop op zoek naar personeel die beschikken over specifieke vakkennis en kunnen omgaan met de moeilijkheidsgraad en flexibiliteit van de productie die hier nog wordt uitgevoerd. Patroontekenaars, modellenstiksters, textielingenieurs zijn maar enkele voorbeelden van ‘vakmensen’ die men in Vlaanderen zoekt. Wie zich als vakman onderscheidt binnen de mode-industrie vindt gemakkelijk werk en wordt goed betaald. Maar door de jarenlange herstructurering die de sector heeft doorgemaakt, zijn veel specifieke confectie- en textielopleidingen verdwenen en is bovendien de instroom in vooral hogere opleidingen zeer beperkt.
Creativiteit en ondernemerschap
Creatievelingen zijn niet de beste ondernemers en ondernemers hebben niet altijd begrip voor creativiteit. Uit gesprekken met een aantal stakeholders in de mode-industrie blijkt dat de spanning tussen creativiteit en economische realiteit een knelpunt is voor de toekomst van de mode-industrie. Vooral bij de ontwerpers is de professionalisering een probleem. Wie afstudeert aan de modeacademie heeft vaak geen idee hoe zijn of haar talent vermarkt moet worden. Ze hebben geen notie van bedrijfseconomische aspecten en interesseren zich er ook niet altijd echt voor. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het voor jonge ontwerpers zeer moeilijk is om hun professionele loopbaan in de modesector op te starten en uit te bouwen. Daarom ligt de kans op falen in de modesector hoog.
Een en ander zou kunnen verholpen worden met een managementopleiding. Vaak echter wordt een dergelijke opleiding gezien als de doodsteek voor de creatie. Toch kan hier een mouw aan gepast worden. Het ideale ondernemingsmodel voor de ontwerpers is een model waarbij een creatieve ontwerper in zee gaat met een zakelijk talent of ondernemer.
Zijn we te bescheiden?
De Vlaamse mode-industrie kan nog meer innoveren wanneer er meer contact en communicatie zou bestaan tussen de ontwerpers, tekenaars, fabrikanten, groothandelaars en winkeliers. Een stap in de goede richting is in elk geval de samenwerking tussen JBC en Walter Van Beirendonck, die net zoals een aantal grote buitenlandse ketens, bijvoorbeeld H&M, de confectiemode en de couturiers dichter bij elkaar brengt.
Daarnaast zou het internationaal hoogstaande imago van de Vlaamse ontwerpers veel meer kunnen ‘afstralen’ op de rest van de Vlaamse mode-industrie die algemeen nog een traditioneel imago heeft, maar in Vlaanderen op zijn laatste benen loopt. De studie heeft duidelijk aangetoond dat dit beeld niet langer strookt met de verschillende dynamische en innovatieve bedrijven die in de Vlaamse mode-industrie nog kunnen teruggevonden worden.
Wist je dat?
- Een Belgisch gezin jaarlijks gemiddeld 1570 euro aan modeartikelen uitgeeft? Dat is ongeveer 5% van het totale huishoudbudget.
- 73% gaat naar kleding, 18% naar schoenen en 9% naar andere modeartikelen.
- Dames de grootste besteders zijn? 45% van alle modeaankopen zijn damesartikelen.
- Het bedrag besteed aan modeartikelen jaar na jaar daalt.
- De afname vooral bij herenkledij te merken was en amper bij dameskledij.
- 72% van de kledingzaken dameskleding verkopen?
- 90% van de schoenenwinkels damesschoenen aanbieden?
Groten uit de mode-industrie reageren
Ter gelegenheid van de persvoorstelling van het onderzoek van Isabelle De Voldere, Tine Maenhout en Marion Debruyne van Vlerick Leuven Gent Management School, organiseerde het Flanders District of Creativity op 21 januari een Creativity Talk rond het thema. Tijdens een afsluitend debat kwamen Anne Chapelle, het zakelijk talent achter de ontwerpers Ann Demeulemeester en Haider Ackermann, Fa Quix van Fedustria, Eric Magnus van Creamoda en Veerle Windels, modejournaliste aan het woord. Het thema dat steeds terugkwam tijdens het debat was het nijpend tekort aan gekwalificeerd personeel. Het is ook geen toeval dat patroontekenaars en stiksters al jarenlang knelpuntberoepen zijn. Vooral het locale negatieve imago van de mode- en textielindustrie zouden hier aan de basis van liggen. Dit staat in schril contrast met het buitenlandse imago van de Belgische mode, waar grote Belgische ontwerpers met alle eer weglopen op de catwalks van Milaan, Parijs en New York.
Orator magazine - Maart 2008
